Geschiedenis Villa Erica

Het dorp Bennekom was tot aan de tweede helft van de 19de eeuw moeilijk bereikbaar; het lag erg geïsoleerd en de bevolking was aangewezen op wat de directe omgeving te bieden had: door de lage ligging lagen de voornamelijk heidevelden en landbouwgronden veelvuldig onder water. Ondanks dat de boeren hun boerderij op wat hoger gelegen delen van het zogenoemde ‘Binnenveld’ bouwden, graasde het vee vaak binnen het dorp zelf. Aan de oostzijde lag de grote stille heide en daar hoedden zij hun schapen.

Met de opening van de spoorlijn Amsterdam-Arnhem, aangelegd in het voorjaar van 1845, kwam een snelle verbinding tot stand met het westen van Nederland. Na die tijd kwam vanuit onder andere Amsterdam, Leiden, Den Haag en Rotterdam meer belangstelling voor het gebied. Er werd grond aangekocht en verschillende mensen gingen zich hier vestigen. Deze migratie werd versterkt toen Bennekom, doordat in januari 1882 een tramlijn van Ede naar Wageningen werd aangelegd, een directe verbinding met het spoor kreeg.

Het karakter van het dorp werd daardoor langzaam maar zeker beïnvloed. Het was in deze periode, dat Hendrik Willem Dros, fabrikant te Oudshoorn (thans een onderdeel van de gemeente Alphen aan de Rijn) zijn oog liet vallen op een stuk land direct buiten de dorpskern, de grond die het latere Ericapark zou vormen

1872 – 1909 : Bewoning door de families Dros en Insinger

De familie Dros was al tientallen jaren bekend met de streek omdat de vader van Hendrik Willem (een ‘zeepzieder’ uit Leiden) reeds grote stukken heide aangekocht had en die probeerde te exploiteren.
In de jaren 1872 en 1873 werd villa ‘Erica’ gebouwd, compleet met stallen, koetshuis, kassen en een oranjerie. Voor die tijd was het een groot landgoed, royaal gelegen in wat men toentertijd noemde een ‘tuin van vermaak’. In 1874 stond in de ‘belastingkohieren’ van Bennekom dat de heer H.W. Dros: ‘wordt aangeslaegen voor hoofd’lijke omslag (een soort personele belasting) betreffende dees behuyzing’. Deze aanslag is de op twee na hoogste in Bennekom, slechts burgemeester van Borssele en Baron van Wassenaer van kasteel Hoekelum ontvingen een hogere.

Daarna koopt de heer Dros grond bij aan de oostzijde en vergroot daarmee zijn tuin. De aloude Diedenweg (thans Alexanderweg) die vanuit Wageningen via Bennekom richting Ede loopt, doorsnijdt daardoor het ‘landgoed Erica’. De koop van bouwland aan de overzijde van de Grintweg (thans Heelsumseweg) completeert het landgoed. Nu wordt het geheel doorsneden door twee openbare wegen.

De familie Dros, bestaande uit man, vrouw en vier kinderen, blijft tot 1898 op ‘Erica’ wonen. Dat jaar wordt het geheel verkocht aan Willem Alexander Insinger, een telg uit een Amsterdams koopmansgeslacht. Het echtpaar Insinger bewoont villa Erica tot 1909 en vergroot het terrein met aankopen aan de noord- en oostzijde. Dan verhuizen zij naar ‘Oostereng’ in Wageningen.

Hoe het leven op ‘Erica’ ten tijde van de families Dros en Insinger eruit zag is moeilijk te achterhalen. Uit verhalen van nabestaanden weten we dat beide families een koetsier in dienst hadden (en dus paarden bezaten) maar dat is alles.

1909 – 1944 : Bewoning door familie Brants

In 1909 wordt het hele bezit verkocht aan Jan Maurits Brants, een gepensioneerde majoor, afkomstig van een Amsterdamse bankiersfamilie. Majoor Brants bewoonde het huis tot zijn overlijden in 1926.

Hoe het geheel in die tijd eruit zag weten we wel. Ook wetenswaardigheden over het leven van zijn vrouw Sara zijn bekend.
De villa lag in een grote siertuin, vergelijkbaar met de tuin nu. Rondom het huis liep een grindpad, voor en opzij waren grasvelden. Rozen en hoge rododendrons pronkten in vakken. Achter en naast het huis stonden hoge bijzondere bomen, die waarschijnlijk al vlak na de bouw van het huis waren geplant. De kleine terp, die nog steeds achter het huis ligt, was al aanwezig. Tegen het huis aan de oostzijde was een tamelijk hoge, brede oranjerie gebouwd. Deze was meer statussymbool, anders dan in de tuin waren de planten erin uitsluitend voor de sier (onder meer enkele grote palmen). Achter in de tuin stonden twee houtloodsen. Aan de kant van de Kerkhoflaan waren twee extra huizen gebouwd, het oorspronkelijke koetshuis en de paardenstal (met een wit paardenhoofd, hoewel mevrouw Brants geen paarden meer had). Aan de overkant van de Alexanderweg (nu de oostzijde van het Ericapark) was een bos, een verwaarloosde vijver en een verdiept liggende tennisbaan met een taludje. Aan de overkant van de Heelsumse weg wat druivenkassen, een moestuin en de boomgaard.

Mevrouw Brants, een grote statige dame, altijd in het zwart gekleed, bewaarde een zekere afstand tot het personeel maar dat was normaal voor die tijd. Om een buitenplaats als Erica goed te beheren kwam heel wat kijken. Daarom had ze een staf personeel. Inwonend waren haar gezelschapsdame, een keukenmeid en een binnenmeid. Een tuinman, een tuinbaas en zijn gezin woonde in twee houten huizen aan de Kerkhoflaan. Verder waren er nog een tuinknecht en een tuinjongen die beiden in het dorp woonden.Een paar keer in de week kwam een werkster voor het ruwe werk. Voor de grote karweien kwam er iemand uit het dorp, zoals de smid of een timmerman voor herstelwerkzaamheden. Het mooie sierhek bijvoorbeeld is door een smid in het dorp gemaakt.

Haar kleding liet mevrouw Brants meestal door een kleermaker maken; ieder vrijdag kwam een dame voor het verstelwerk. De dame zat altijd in de linnenkamer op de eerste verdieping boven de keuken, een grote kamer waar ook de mangels en de persen stonden, alsmede grote houten bakken voor het wasgoed. Mevrouw Brants had 24 lange witte nachtjaponnen met een bovenstuk van plooitjes van kantjes. Die bovenstukjes gingen slijten en waarschijnlijk omdat het oorlog was kon ze geen nieuwe kopen. Het verstellen van die kleding was een in wezen saai karwei. De werksfeer was echter goed vanwege het contact tussen personeel en mevrouw. Ze kwam altijd even een praatje maken.

Alle werknemers in de tuin hadden hun vaste taak en voerden die volgens een strak schema uit. De tuinbaas was ervoor verantwoordelijk dat voldoende groente en fruit in de keuken kwam. Afhankelijk van het seizoen was dat behoorlijk arbeidsintensief. Hij moest namelijk ook zorgen dat de tuin en het bos werden onderhouden. Net als de oranjerie overigens, hoewel wat daar groeide meer een statussymbool was (alles in de oranjerie, zoals een paar palmen, was uitsluitend voor de sier). Ieder jaar weer vroegen ook de druivenranken in de kassen veel aandacht. De oogst van prachtige witte en blauwe druiven was overvloedig. Men verbouwde groenten als sla, boontjes koolsoorten en wortels en – dat is toch bijzonder – asperges. Fruit als aardbeien, bessen, kersen, appels en peren groeiden volop aan struiken en bomen. Onder het huis is een grote kelder met veel afgesloten afdelingen. Op een open fruitruimte na, want daar moet lucht doorheen kunnen zodat fruit niet bederft. Erica kon dan ook volledig in eigen behoefte voorzien (zelfs in de laatste jaren van de oorlog).

Zoals gebruikelijk in die tijd verliep het leven op ‘Erica’ volgens een vast patroon. Het personeel had een volledige goed geregelde werkdag. Vrijwel iedere morgen had mevrouw Brants een bespreking met de tuinbaas over de werkzaamheden buiten en één met de keukenmeid over het dagelijks eten. De laatste gaf aan wat ze nodig had zodat de tuinbaas daarvoor kon zorgen. Als hij dat niet kon werd het voedsel in het dorp gekocht.
Een kolenfornuis verwarmde groot de keuken waar het binnenpersoneel om tien uur een half uur koffie dronk. Het fornuis verwarmde niet alleen de keuken, er werd op gekookt en om twaalf uur werd warm gegeten. Daarvoor had men een uur, ’s middags daarentegen werd maar een half uur uitgetrokken voor de thee.

Mevrouw Brants ging zelden van huis. ’s Middags ontving ze vaak gasten, dames uit de buurt en notabelen uit de omgeving. Het liefst wandelde ze echter in haar eigen tuin en bos – mevrouw was erg gesteld op de bijzondere bomen – altijd vergezeld door haar gezelschapsdame omdat ze slechtziend was. Het bos was goed toegankelijk doordat het slechts was afgesloten door een hekje. Daardoor had het een grote aantrekkingskracht op de kinderen van het dorp. ‘Maar je moest wel ervoor zorgen dat je weg was als mevrouw er wandelde.’

Ondanks de oorlog ging het leven gewoon door. Echter, toen in 1942 een tekort aan kolen ontstond moest men hout gaan stoken. Daarvoor moesten bomen worden omgezaagd. Vooral in het tweede gedeelte van het park zodat het van het huis uit niet te zien was. Het gezaagde hout werd tijdelijk in de houtloodsen opgeslagen en ging daarna naar de kelder. Onbekend is waar, maar er waren ijzeren luiken bij de kelder waardoorheen het hout werd gekiept. De tuinjongen moest het allemaal opstapelen. Zo zijn heel wat bomen gesneuveld, gelukkig zijn er nog veel blijven staan. Overigens, alle oude bomen die nu in het park staan stonden er toen ook al.

In 1944 is mevrouw Brants samen met de meeste Bennekommers geëvacueerd. Ze is naar Ede gegaan en daar overleden. Tijdens de oorlog is het huis zwaar beschadigd, maar het was nog wel bewoonbaar, de oranjerie moest echter worden afgebroken. Na de oorlog komt de tuinman weer terug in het koetshuis maar de tuinbaas verhuist naar de Diedenweg.

1954 – 1978 :  Bewoning op het landgoed

In 1954 veranderde het landgoed. Ondanks dat de gedachte van geschakelde woningen voor mensen boven de 55 jaar in die jaren nog geen gemeengoed was kwamen er 51 huisjes op het landgoed. Dat wil zeggen dat men uitging van aparte woningen in plaats van de geijkte woonvorm van een bejaardentehuis. Met een zekere verzorging vanuit de naaste omgeving.

Voor de inrichting van het park maakte Prof. dr. J.T.P. Bijhouwer, hoogleraar tuinarchitectuur in Wageningen een ontwerp waarbij zoveel mogelijk groen bewaard kon blijven, passend bij de ideeën van de Delftse hoogleraar M.J. Grandpre Moliere: harmonie tussen de mens en zijn omgeving.

In 1955 werd het woonrecht van alle huisjes verkocht, nog voordat de totale bouw gereed was. Een voorlopig bestuur werd benoemd. In die tijd werden alle huisjes via ondergrondse buizen vanuit het Grote Huis verwarmd (die buizen liggen er nog). In de kelder bevonden zich drie verwarmingsketels, eerst werd met olie gestookt later met gas. Echter, door de eindeloos lange leidingen kregen de meest afgelegen huisjes niet altijd genoeg warmte en eventuele breuken waren moeilijk op te sporen. Soms hielp de natuur een handje want bij sneeuw kon opeens een groen pad door het park lopen waardoor een lek gemakkelijk opgespoord kon worden. In 1987 was het systeem verouderd en vertoonde het een dermate slijtage dat besloten werd over te gaan tot gescheiden verwarmingsinstallaties: elk huisje werd voorzien van een eigen warmteregeling.

1978 – heden :  VVE Het Ericapark

De bewoners waren sinds 1955 verenigd in een coöperatie, het recht tot wonen werd gekocht maar de coöperatie bleef eigenaar. In 1978 werd besloten om de coöperatie op te heffen. De Vereniging van Eigenaars ‘het Ericapark’ werd opgericht. Tot op heden leidt een Bestuur, deels gekozen uit bewoners, de Vereniging. Vanaf dat moment kan een bewoner zijn huisje bezitten.

De buitenkant van Villa Erica is met toestemming van de Vereniging van Eigenaars op de monumentenlijst van zowel de gemeente Ede als de provincie Gelderland geplaatst. Hierdoor hebben de gemeente, de provincie en de vereniging gezamenlijk de plicht het gebouw in de oorspronkelijke staat te houden. Een voordeel is dat het mogelijk is subsidie voor de onderhoudskosten aan te vragen.
Sinds 2013 is het gehele park een gemeentelijk monument geworden.